Waarom worden de meeste melkvervangers voor dieren gemaakt van koemelk – en niet van geitenmelk?
Bij jonge dieren die (tijdelijk) geen moedermelk kunnen krijgen, wordt vaak gekozen voor een melkvervanger. Dat roept regelmatig vragen op, vooral wanneer mensen zien dat de basis van veel melkvervangers uit koemelk bestaat. Waarom geen geitenmelk? Wordt geitenmelk niet vaak gezien als ‘lichter verteerbaar’? En hoe kan koemelk geschikt worden gemaakt voor bijvoorbeeld puppy’s en kittens, terwijl hun moedermelk zo anders is?
Het antwoord ligt niet in één enkele eigenschap, maar in een combinatie van samenstelling, verwerkbaarheid, beschikbaarheid en voedingskundige controle.
Koemelk en geitenmelk lijken meer op elkaar dan vaak wordt gedacht
Hoewel koemelk en geitenmelk in de beleving soms sterk van elkaar verschillen, laten vergelijkingen van hun samenstelling zien dat ze op hoofdlijnen opvallend vergelijkbaar zijn. Beide zijn melk van herkauwers en bevatten relatief veel eiwit, een vergelijkbare hoeveelheid lactose en een vetzuurprofiel dat duidelijk verschilt van dat van moedermelk van bijvoorbeeld honden of katten.
Er zijn wel verschillen tussen geitenmelk en koemelk, maar die verschillen zitten vooral in nuances van eiwitfracties en niet in fundamenteel andere voedingskundige eigenschappen. Op het niveau van vet, lactose en energie zijn de overeenkomsten erg groot. Dat betekent dat geitenmelk in de basis geen geschikter uitgangspunt vormt dan koemelk voor het maken van melkvervangers voor carnivore diersoorten zoals hond en kat.
Beschikbaarheid en kosten spelen een belangrijke rol
Een praktische, maar belangrijke factor is dat koemelk wereldwijd ruim beschikbaar is. De zuivelketen rondom koemelk is groot, stabiel en sterk gereguleerd. Daardoor zijn melkbestanddelen uit koemelk constant van kwaliteit, goed traceerbaar en betaalbaar.
Geitenmelk is daarentegen:
-
in kleinere volumes beschikbaar
-
duurder in productie
-
minder uniform in samenstelling
Voor melkvervangers, die vaak in grote aantallen en onder gecontroleerde omstandigheden worden geproduceerd, is die betrouwbaarheid essentieel. Niet omdat goedkoop beter is, maar omdat voorspelbaarheid en consistentie cruciaal zijn voor jonge en kwetsbare dieren.
Koemelk als grondstof, niet als eindproduct
Wanneer koemelk wordt gebruikt bij de productie van melkvervangers, dient zij uitsluitend als grondstof. De melk wordt gescheiden in losse componenten, zoals eiwitten en vetten, die daarna opnieuw worden samengevoegd in een andere verhouding dan in koemelk zelf. Op die manier ontstaat een samenstelling die beter past bij de behoeften van bijvoorbeeld puppy’s, kittens of egels.
Koemelk wordt industrieel opgesplitst in afzonderlijke bestanddelen, zoals:
-
specifieke melkeiwitten
-
melkvetten
-
lactose
-
mineralen
Deze componenten kunnen vervolgens gericht worden gecombineerd in andere verhoudingen dan in koemelk zelf. Zo kan een melkvervanger worden samengesteld die beter aansluit bij de behoeften van een puppy of kitten, bijvoorbeeld met:
-
een hoger vetgehalte
-
een andere eiwit-vetverhouding
-
een aangepaste mineralensamenstelling
Op die manier wordt koemelk niet gebruikt als eindproduct, maar als grondstof.
Afgestemd op het jonge dier, niet op de koe
Moedermelk van honden en katten verschilt sterk van zowel koe- als geitenmelk. Ze bevat meer energie, andere vetzuren en een andere eiwitverdeling. Omdat moedermelk bovendien een dynamisch systeem is dat verandert gedurende de lactatie en bioactieve stoffen bevat die niet één-op-één te reproduceren zijn, is het onmogelijk om haar exact na te bootsen.
Melkvervangers zijn daarom geen kopieën, maar functionele benaderingen. Ze zijn ontwikkeld om jonge dieren veilig te ondersteunen in een kwetsbare fase, met aandacht voor verteerbaarheid, groei en belasting van darmen en nieren. Het gebruik van losse componenten uit koemelk maakt het mogelijk om die samenstelling nauwkeurig te sturen — iets wat met rauwe melk simpelweg niet kan.
Hoe wordt koemelk geschikt gemaakt voor melkvervangers?
Na scheiding van de componenten worden deze verwerkt tot een stabiel product, meestal in poedervorm. Koemelk en melkbestanddelen worden hiervoor gedroogd, vaak via sproeidrogen. Daarbij wordt de vloeistof verneveld in een warme luchtstroom, waardoor het water snel verdampt en de voedingsstoffen behouden blijven.
Het resultaat is een droog, microbiologisch stabiel poeder dat:
-
lang houdbaar is
-
nauwkeurig te doseren is
-
veilig kan worden opgeslagen en vervoerd
Dit maakt melkvervangers praktisch inzetbaar in de opvang.
Waarom niet geitenmelk als basis?
Geitenmelk kan in specifieke situaties beter verdragen worden, maar dat maakt haar geen betere grondstof voor melkvervangers. De samenstelling verschilt niet fundamenteel genoeg van koemelk om er voedingskundig voordeel uit te halen, terwijl de beperktere beschikbaarheid en hogere kosten juist nadelen zijn. Bovendien is de zuivelverwerking en componentenscheiding van koemelk veel verder ontwikkeld en beter gestandaardiseerd.
Zie ook het artikel: Is geitenmelk beter te verteren dan koemelk?
Samenvattend
De keuze voor koemelk als basis voor melkvervangers is geen traditie of gemakzucht, maar het resultaat van voedingskundige, praktische en technologische overwegingen. Koemelk biedt een betrouwbare, controleerbare bron van componenten die zo kunnen worden gecombineerd dat ze beter aansluiten bij de behoeften van jonge dieren dan melk van een andere diersoort ooit zou kunnen.
Daarom zijn de meeste melkvervangers voor dieren niet gemaakt van koemelk, maar met zorgvuldig geselecteerde bestanddelen uit koemelk.